Om helder te zijn over wie ik ben en waarom ik dit schrijf eerst dit:
In mijn werk help ik mensen de verbinding met zichzelf te herstellen, zodat ze weer vanuit eigen kracht kunnen leven. Dat begint vaak klein, in een huis, een kast of een dagelijks patroon maar de beweging eronder is altijd dezelfde: terug naar het eigen ritme, het eigen oordeel en daarmee de eigen grenzen.
Wat ik op individueel niveau zie, herken ik steeds vaker in grotere systemen. Ook daar raken mensen los van hun eigen regie doordat structuren van buitenaf bepalen wat ‘moet’, ‘mag’ of van wat ‘normaal’ is. De dynamiek is fractaal: dat wil zeggen dat dezelfde patronen die één mens kunnen vastzetten ook een hele sector of samenleving verstrikken.
Vanuit deze blik heb ik dit artikel geschreven. Niet als expert in de agrarische sector maar als iemand die dagelijks ziet wat er gebeurt wanneer autonomie verdwijnt en systemen hun eigen logica boven de mens plaatsen. Het is dezelfde beweging, alleen op een ander schaalniveau.

De boer in de beklaagdenbank
De melkrobot werkt 24/7. Deze hoor je niet klagen, heeft geen vakantie nodig en heeft al helemaal geen last van de alsmaar stijgende energierekening. De koe loopt zelf naar de machine, wordt gemolken, gemeten en geregistreerd, en loopt terug de stal in.
Efficiënt. Modern. Schaalbaar.
Het is het soort beeld dat in een folder van het ministerie zou kunnen staan als bewijs dat de Nederlandse landbouw vooroploopt.
Maar diezelfde boer mag de mest van diezelfde koe niet gebruiken om zijn eigen land te voeden. Die mest, het meest natuurlijke wat er is, de kringloop die duizenden jaren lang de basis was van vruchtbare grond, is een afvalprobleem geworden. Wat daarbij zelden wordt gezegd is wat organische mest werkelijk doet. Het voedt het bodemleven, versterkt de bodemstructuur, en zorgt voor planten die van nature weerbaar zijn tegen ziekten en plagen. Kunstmest doet het tegenovergestelde. Het verschraalt de bodem, maakt planten kwetsbaar, belast het grondwater en draagt via afspoeling en vervluchtiging bij aan precies de stikstofproblematiek waarvoor de boer nu wordt aangeklaagd. Hier heeft de boer zelf weinig keuze in. De mestwetgeving schrijft voor hoeveel organische mest er per hectare mag worden uitgereden. Wat zijn veestapel meer produceert dan die norm toestaat moet worden afgevoerd, verplicht, tegen betaling, waardoor hij verplicht is om kunstmest in te kopen om het tekort aan te vullen. Hij wordt met andere woorden wettelijk verplicht de natuurlijke kringloop te doorbreken en afhankelijk te blijven van een industrieel alternatief dat het probleem vergroot. En de concerns die die kunstmest produceren verdienen aan beide kanten, aan de afvoer van de organische mest en aan de verkoop van het chemische alternatief. De kringloop is doorgesneden en vervangen door een lineaire stroom van geld, van de boer naar de industrie, in beide richtingen.
Hetzelfde geldt voor het voer. Waar de boer ooit zijn eigen land gebruikte om zijn vee te voeden, is hij nu afhankelijk van fabrieksvoer, samengesteld uit grondstoffen die van de andere kant van de wereld komen, soja uit Brazilië, maïs uit Oekraïne, palmpitschilfers uit Maleisië. Ook daar bepaalt hij de prijs niet. Ook daar staat hij aan het einde van een keten die hij niet controleert. Hij koopt duur in aan de ene kant en verkoopt goedkoop aan de andere kant, en in het midden verdwijnt de marge naar partijen die hij nooit ontmoet.
En dan is er nog de verhouding tussen zijn land en zijn dieren. Europa schrijft voor hoeveel stuks vee er per hectare mogen lopen, niet op basis van wat de grond aankan, niet op basis van wat de boer ziet en weet na generaties op hetzelfde land, maar op basis van een rekenmodel vastgesteld in een vergaderzaal ver van de praktijk vandaan. Wordt die norm aangescherpt, wat recent is gebeurd, dan moet hij inkrimpen. Niet omdat zijn land het vraagt of omdat dit nodig is maar alleen omdat een getal in Brussel is veranderd.
De autonomie van de veehouder is van alle kanten tegelijk ingeperkt. Zijn mest mag hij niet gebruiken, zijn voer koopt hij in bij concerns die de prijs bepalen, zijn veestapel wordt begrensd door Europese normen en zijn afzetmarkt wordt gedomineerd door supermarktketens die hem kunnen uitknijpen omdat hij geen alternatief heeft. Hij staat in een systeem waarvan hij ooit de kern was en geworden is tot een schakel die niet meer wordt gezien voor wat hij in essentie is.
Een paar kilometer verderop ligt een ander verhaal, maar met dezelfde logica. Een akkerbouwer kijkt uit over zijn land, een vlak, eindeloos veld met maar één gewas. Geen hagen, geen sloten vol leven en geen afwisseling. Een monocultuur, zo noemen wetenschappers dat, een systeem dat per definitie kwetsbaar is omdat het de natuurlijke weerbaarheid heeft ingeruild voor maximale opbrengst. Een monocultuur heeft geen eigen afweer tegen ziekten en plagen, en dus vraagt hij om ingrijpen van buitenaf. Pesticiden, fungiciden, herbiciden, elk jaar opnieuw, elk jaar in grotere hoeveelheden omdat de resistentie toeneemt. Het land is gewend geraakt aan chemie zoals de koe is gewend aan fabrieksvoer. Dezelfde logica, dezelfde keten, dezelfde concerns die aan beide kanten dik verdienen.
Wat weinig mensen weten is dat een significant deel van de bestrijdingsmiddelen die op die velden worden gespoten in andere Europese landen al jaren verboden zijn. Te gevaarlijk voor de bodem, voor het grondwater en zeker ook voor de insecten die de basis vormen van elk ecosysteem. Maar verboden betekent niet verdwenen. Nederland produceert en exporteert middelen die het zelf niet meer toestaat, naar landen waar de regelgeving soepeler is of de handhaving erop afwezig is. Daar worden ze gespoten op gewassen die via de internationale voedselhandel gewoon in het Nederlandse supermarktschap belanden. Groenten en fruit waar je dit niet op verwacht. In dit licht moeten de snijbloemen op de keukentafel ook niet worden vergeten, want ook die worden intensief bespoten – ook die keten loopt via landen waar de normen een andere definitie kennen van wat aanvaardbaar is.
Het is een cirkel die zijn eigen absurditeit niet lijkt te zien. We beschermen onze eigen bodem tegen een stof die we tegelijk exporteren, importeren in de producten die we eten, en op tafel zetten in de bos rozen die we cadeau geven. Wat hier verboden is omdat het te gevaarlijk is, mag blijkbaar ergens anders gevaarlijk zijn, zolang het maar buiten ons zichtsveld gebeurt. Wat niet weet wat niet deert? Eerlijk?
Ondertussen groeit de ongerustheid onder mensen die dicht bij landbouwgrond wonen. Dat is geen kleine groep, ongeveer dertig procent van de Nederlandse bevolking woont binnen tweehonderdvijftig meter van een landbouwperceel. GGD-artsen, kinderartsen en toxicologen slaan al jaren alarm. Bestrijdingsmiddelen worden aangetroffen in tuinen, in huisstof, in de urine van kinderen en baby’s. Kinderartsen waarschuwen dat blootstelling op jonge leeftijd de ontwikkeling van kinderen kan schaden. Onderzoekers kijken naar mogelijke verbanden met de ziekte van Parkinson, leukemie bij kinderen, lymfomen en luchtwegaandoeningen. Het RIVM doet er onderzoek naar, dat naar verwachting in 2031 is afgerond. Tot die tijd geldt officieel dat er geen wetenschappelijk bewijs is van gezondheidsrisico’s voor omwonenden bij goedgekeurde middelen. De middelen zijn immers wettelijk toegestaan.
En daar zit precies de pijn. Wettelijk toegestaan betekent niet hetzelfde als veilig. Het betekent dat de bewijslast ligt bij degenen die de schade ondervinden, terwijl de industrie ondertussen gewoon doorgaat. En de vraag die daarbij onvermijdelijk opkomt is deze: waarom moet de zucht naar meer winst, kwartaal na kwartaal, jaar na jaar, ten koste gaan van de gezondheid van mensen, van dieren, van bodemleven, van drinkwater, van de toekomst van kinderen die in de buurt van die gifvelden opgroeien? Wie heeft besloten dat dit de prijs is die we bereid zijn te betalen, en heeft iemand überhaupt ooit aan de samenleving gevraagd of zij daarmee akkoord gaat?
Wat de wetenschap al jaren meet in deze velden en sloten, de bijensterfte, de achteruitgang van weidevogels, de lege slootkanten waar ooit insecten zoemen, dat zijn geen losstaande natuurproblemen. Het zijn de zichtbare consequenties van een systeem dat de grond behandelt als productiemiddel in plaats van als levend organisme. Een organisme dat terugslaat, niet met woede maar met stilte. De stilte van een akker waar niets meer beweegt.
En toch is het de boer die wordt aangewezen.
Want als het over stikstof gaat, gaat het in het publieke debat vrijwel altijd over de veehouder. Over het vee, hun mest, de ammoniakuitstoot die opstijgt uit de stallen en de mestkelders. Wat zelden wordt gezegd is dat de veehouderij wel een bron is van stikstof, maar zeker niet de grootste. De industrie heeft een grotere impact, het verkeer ook. Nederland heeft bovendien een van de drukste industriële en logistieke infrastructuren van Europa, Schiphol, de Rotterdamse haven, de snelwegen die het continent doorkruisen. Al die activiteit produceert stikstof. Maar die sectoren hebben geen grond die je kunt opkopen.
De boer heeft dat wel. En dus wordt hij de crisis.
Wat niemand hardop zegt is waar de winst in dit systeem naartoe gaat. Niet naar de boer, wiens marge al jaren onder druk staat. Niet naar de akkerbouwer, die steeds meer betaalt voor de chemie die hij niet meer kan missen. Niet naar de consument, wiens voedsel ondertussen lager is aan voedingswaarde dan ooit. De winst gaat naar de bovenkant van de keten, naar de enkele grote spelers die de verwerking, de distributie en de retail beheersen, naar de aandeelhouders van concerns die de markt zo hebben ingericht dat de risico’s worden gedragen door degenen onderaan en de opbrengsten worden geïnd door degenen bovenaan. Zo lang en zo consequent dat wij zijn gaan denken dat dit normaal is.
Systematisch, op grote schaal. En het ergste van alles? Legaal…..
Ze noemen wat er nu gebeurt de stikstofcrisis. Alsof het een natuurverschijnsel is, iets wat zomaar is komen aanwaaien. Maar stikstof zweeft niet zomaar neer. Het is de zichtbare neerslag van een systeem dat zijn eigen bodem heeft opgegeten, letterlijk en figuurlijk. Wat ik zie als ik naar deze crisis kijk is geen beleidsmatig falen maar iets dat je onbewuste emergentie zou kunnen noemen, een systeem dat te ver van zijn natuurlijke evenwicht is gebracht en dat zichzelf begint te corrigeren, niet via politieke wil maar via de werkelijkheid zelf. Vergunningen die vastlopen. Natuur die degradeert. Boeren die vastlopen. Een samenleving die polariseert zonder te begrijpen waarom.
Het debat gaat over cijfers, het meetbare, drempelwaarden. Over wie hoeveel moet inkrimpen en wie wordt uitgekocht. Over boer tegen burger, over natuur tegen economie. Maar dat zijn de verkeerde vragen, of liever gezegd, het zijn de vragen die het systeem zelf produceert om het gesprek klein te houden. De werkelijke vraag is waarom we een voedselsysteem hebben gebouwd dat zijn eigen grondstoffen vernietigt, zijn eigen boeren uitput, zijn eigen bodem leegtrekt, en vervolgens de rekening neerlegt bij degene die het minste macht heeft in de hele keten.
De boer staat in de beklaagdenbank voor wat het systeem van hem heeft gemaakt. En zolang we dat niet zien, lossen we niets op. We verplaatsen het probleem alleen naar de volgende generatie, die het dan maar op moet zien te lossen.
Hennie Riemersma Visser – Opgeruimd – de verbinding tussen individuele en maatschappelijke patronen