De burger betaald de rekening

In mijn werk help ik mensen de verbinding met zichzelf te herstellen, zodat ze weer vanuit eigen kracht kunnen leven. Daarbij zie ik steeds hetzelfde patroon: wanneer mensen hun eigen ritme, oordeel en grenzen kwijtraken, ontstaat stress, uitputting en een leven dat niet meer klopt.

Die dynamiek zie ik niet alleen bij individuen, maar ook in de systemen waar we dagelijks mee te maken hebben. De consument, net als de boer, is onderdeel geworden van structuren die behoeften creëren, grenzen bepalen en keuzes sturen, vaak zonder dat we het doorhebben.

Dit artikel gaat over die bredere beweging. Niet om te klagen over prijzen, maar om zichtbaar te maken hoe een systeem dat ooit logisch was, is verschoven naar iets dat mensen uitput en autonomie ondermijnt. Het is dezelfde dynamiek die ik in mijn werk tegenkom, alleen op een ander schaalniveau.

Afbeelding gemaakt door ChatGTP

De burger betaalt de rekening

Je staat aan de kassa en je telt in gedachten mee. Niet omdat je dat wilt, maar omdat je niet anders kunt. De boodschappenbon die tien jaar geleden nog redelijk was, klopt niet meer met dat wat je in je mandje hebt. Dezelfde yoghurt, hetzelfde brood, hetzelfde pak koffie, maar de teller loopt door tot een bedrag dat voelt als een vergissing. Thuis wacht de energierekening. En bij het tankstation kijk je liever niet naar het display terwijl je tankt.

Dit is geen pech en ook geen tijdelijke tegenvaller. De verklaring dat een oorlog in Oekraïne of waar dan ook de prijzen heeft opgedreven klopt deels, maar ze verklaart niet waarom energiebedrijven recordwinsten boekten op het moment dat huishoudens hun thermostaat een graadje lager zetten. Ze verklaart ook niet waarom de prijzen bleven stijgen toen de omstandigheden allang waren verbeterd. Wat ze wel verklaart is hoe het systeem werkt als het onder druk staat. Niet ten gunste van de burger, maar ten gunste van de aandeelhouder.

Op school leerden we dat de prijs ontstaat uit de verhouding tussen wat mensen willen en wat er beschikbaar is en dat producenten concurreren om de gunst van de consument en dat kwaliteit stijgt terwijl prijzen dalen. Dat model beschrijft een wereld die niet meer bestaat. Het aanbod wordt niet meer bepaald door wat mensen vragen, het wordt gecreëerd door partijen die groot genoeg zijn om te bepalen wat mensen willen voordat ze het zelf weten. Zelfs de zogenoemde concurrentie klopt niet, alle winst gaat naar dezelfde grote namen.

De farmaceutische industrie definieert ziektebeelden en ontwikkelt medicijnen voor klachten die eerder geen naam hadden, waardoor mensen behandeld worden voor aandoeningen die een generatie geleden gewoon het leven heetten. De technologie-industrie heeft behoeften gecreëerd die mensen voor 2007 niet kenden en nu niet meer kunnen missen en verdient vervolgens aan elke minuut aandacht die ze opeist. De mode-industrie heeft van kleding een wegwerpproduct gemaakt door zo veel te produceren en zo goedkoop aan te bieden dat weggooien goedkoper is dan repareren, met enorme afvalbergen als gevolg die maar blijven groeien. Platforms als Temu, Shein en AliExpress hebben dit principe naar zijn uiterste consequentie doorgevoerd, met kleding voor twee euro en speelgoed voor één euro, rechtstreeks uit Chinese fabrieken naar de voordeur, met gratis verzending en gratis retour. En dichter bij huis doet een winkel als de Action precies hetzelfde, alleen dan fysiek, met gangpad na gangpad vol producten die zo goedkoop zijn dat de vraag of je ze nodig hebt zichzelf niet meer stelt. Het is zo goedkoop dat mensen dingen kopen zonder er werkelijk behoefte aan te hebben, gewoon omdat het aanbod zo overweldigend en zo slim gepersonaliseerd is dat de behoefte er vanzelf bij ontstaat. Wat niet bevalt gaat retour of in de prullenbak, want weggooien is goedkoper dan bewaren.

De echte prijs staat nergens op het kassabonnetje. De arbeidsomstandigheden in de fabrieken waar deze goederen worden geproduceerd, de CO2-uitstoot van de vluchten waarop de pakketjes worden vervoerd, de microplastics die vrijkomen als de stof na twee wasbeurten uit elkaar valt, de lokale winkels die het niet overleven omdat ze niet kunnen concurreren met een prijs die alleen mogelijk is doordat de werkelijke kosten worden afgewenteld op de samenleving en het milieu: al die kosten zijn onzichtbaar voor de consument maar worden wel degelijk ergens betaald. Door de natuur, door toekomstige generaties, door de burger die ze via zijn belastingen terugziet en niet te vergeten in de kosten van gezondheidszorg, afvalverwerking en klimaatadaptatie.

Dan is er de nog de gemaksindustrie, misschien wel het meest alledaagse voorbeeld van hoe gecreëerd aanbod het dagelijks leven binnensluipt. Voorgesneden groenten, kant-en-klaarmaaltijden (waar de meeste vitamines al uit zijn verdwenen)  bezorgdiensten die binnen twintig minuten eten aan de deur brengen, al die gemakken worden verkocht als tijdwinst maar de tijd die ze opleveren wordt direct teruggeëist door de werkdruk die nodig is om ze te kunnen betalen. De consument rent harder om bij te blijven in een systeem dat hem zelf op snelheid heeft gebracht. En ondertussen daalt de voedingswaarde van wat hij eet gestaag verder. Onderzoek toont aan dat inmiddels meer dan 70 procent van het Nederlandse supermarktaanbod bestaat uit ultrabewerkte producten, samengesteld uit ingrediënten die thuis in geen enkele keuken te vinden zijn, ontworpen om lekker te zijn maar niet om te voeden. De boer in de beklaagdenbank levert echte grondstoffen maar ziet zijn positie steeds verder worden verdrongen door goedkopere synthetische alternatieven (knutselvlees onder andere) die de industrie meer opleveren en de consument minder geven.

Het mechanisme is in al die gevallen hetzelfde. Niet de consument die vraagt en de markt die antwoordt, maar de industrie die een behoefte definieert, creëert of versterkt en vervolgens de oplossing verkoopt. Vaak aan dezelfde mensen die het probleem niet zouden hebben gehad als het aanbod er niet was geweest. De stijgende kosten van het dagelijks leven zijn daarom niet alleen het gevolg van duurdere grondstoffen of geopolitieke spanningen. Ze zijn het logische eindpunt van een economisch model waarbij het creëren van behoefte winstgevender is dan het vervullen ervan, en waarbij de winst bovenin de keten verdwijnt terwijl de rekening onderaan wordt neergelegd.

Achter al die industrieën staat één gemeenschappelijke opdrachtgever, en dat is de beurs. Beursgenoteerde bedrijven worden niet afgerekend op de kwaliteit van wat ze produceren, niet op het welzijn van de mensen die het kopen, en niet op de schade die ze achterlaten. Ze worden afgerekend op het kwartaalcijfer, op groei ten opzichte van het kwartaal daarvoor en op de verwachting van het kwartaal daarna. Die druk is niet abstract maar meedogenloos en dagelijks voelbaar in elke beslissing die een bedrijf neemt. Goedkopere ingrediënten, lagere lonen, minder personeel, dunner verpakkingsmateriaal, kortere garantietermijnen, alles wat de marge vergroot zonder dat de consument het meteen ziet wordt doorgevoerd. Niet omdat de mensen aan de top slecht zijn, maar omdat het systeem hen geen andere keuze laat. Wie de kwartaaldoelstellingen niet haalt verliest het vertrouwen van de aandeelhouders, daalt in koers en verliest toegang tot het kapitaal dat nodig is om te blijven bestaan. De beurs beloont niet wat goed is voor de mens of de planeet, ze beloont wat rendeert op de korte termijn. En dat kortetermijndenken werkt als een sluipend gif door de hele keten, van de fabriek tot het supermarktschap tot de boodschappenbon die tien jaar geleden nog redelijk was.

Dan is er nog de (r)overheid, die in dit verhaal nog niet eerder werd benoemd. Ze presenteert zich als beschermer van de burger maar profiteert ondertussen schandalig mee. BTW-inkomsten stijgen met de prijzen, accijnzen op energie en brandstof leveren meer op naarmate de rekening hoger wordt, en de regelgeving die dit systeem in stand houdt ontstaat niet in een vacuüm maar in nauwe samenwerking met de lobbyisten van diezelfde industrieën. Mensen uit de top van het bedrijfsleven stappen over naar ministeries en adviesraden en weer terug, met hun netwerken en belangen intact. Dat is geen samenzwering, het is een structuur, en structuren hebben geen slechte bedoelingen nodig om slechte uitkomsten te produceren. Ze hebben alleen belangen nodig die sterker zijn dan de krachten die hen zouden moeten corrigeren. Die corrigerende kracht is de afgelopen dertig jaar niet sterker geworden. Ze is stiller geworden, langzamer, minder lastig. En de financiële winst van het systeem blijkt, keer op keer, zwaarder te wegen dan het welzijn van de burger die het systeem geacht wordt te dienen.

Er is nog een prijs die zelden wordt benoemd, en dat is de mentale prijs. Die heeft twee gezichten. Het eerste is de chronische achtergrondstress van een leven waarin de eindjes maar net aan elkaar worden geknoopt, waarin elke onverwachte rekening een crisis is, waarin je voortdurend keuzes moet maken tussen dingen die eigenlijk geen keuzes zouden moeten zijn. Goede voeding of de energierekening. De tandarts of nieuwe schoenen voor de kinderen.

Het tweede gezicht is subtieler maar minstens zo ingrijpend. Het is de mens die niet tekortkomt maar wel voortdurend rent. Die werkt om te kunnen consumeren, consumeert om bij te houden, en bijhoudt om niet achter te raken in een systeem dat hem heeft wijsgemaakt dat presteren de norm is en stilstaan een luxe. Die mens is niet arm, hij is uitgeput. Hij heeft geen gebrek aan geld maar aan tijd, aan rust, aan de ruimte om zich af te vragen of dit het leven is dat hij heeft gekozen of het leven dat voor hem is ingericht. Het systeem heeft hem niet alleen zijn portemonnee aangesproken, het heeft hem zijn aandacht, zijn energie en zijn innerlijke kompas ontnomen, zo geleidelijk dat hij het nauwelijks heeft gemerkt.

Chronische stress en permanente overprikkeling maken het lichaam letterlijk ziek, ze ondermijnen het immuunsysteem, bevorderen ontstekingen en verstoren de verbinding met het eigen lichaam en de eigen behoeften. De burger betaalt dus ook een gezondheidsrekening die hij niet ziet aankomen, en die vervolgens wordt opgevangen door een zorgsysteem dat onder druk staat omdat steeds meer mensen ziek worden van een manier van leven die ze niet hebben gekozen maar ook niet kunnen ontvluchten. En de partij die hier het meeste belang bij heeft staat er glimlachend bij.

De burger staat aan de kassa. Hij heeft niet gevraagd om dit systeem, maar hij betaalt er wel voor, elke dag opnieuw, in geld, in afval, in tijd en in een groeiend gevoel dat er iets niet klopt maar dat niemand hem precies kan vertellen wat.

Wat daarbij niet meer zichtbaar is, is hoe ongelijk die rekening wordt verdeeld. De klassieke tweedeling tussen arm en rijk heeft een nieuw gezicht gekregen, een gezicht dat moeilijker te herkennen is dan vroeger. Het is niet langer de man zonder schoenen tegenover de man in de villa. Het is de middenklasse die er aan de buitenkant redelijk uitziet maar structureel inteert op spaargeld, de werkende arme die fulltime werkt en aan het einde van de maand tekortkomt, de jongere die weet dat het huis dat zijn ouders voor weinig kochten voor hem onbereikbaar is geworden. Ondertussen heeft rijkdom zich teruggetrokken uit de dagelijkse realiteit, in een wereld van private zorg zonder wachtlijst, internationale scholen, afgeschermde woonwijken en financiële buffers die groot genoeg zijn om de stijgende kosten gewoon op te vangen.

De kloof groeit, maar ze is onzichtbaar gemaakt. Je zou zelfs kunnen zeggen dat dat misschien wel het slimste wat het systeem heeft gedaan. Want een ongelijkheid die je niet kunt zien, kun je ook niet aanwijzen. En wat je niet kunt aanwijzen, kun je niet veranderen.

Hennie Riemersma Visser – Opgeruimd – de verbinding tussen individuele en maatschappelijke patronen

Een reactie plaatsen

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *